De inspiratiebron

De inspiratiebron

Een fragment uit het boek Zielespinsels

Herinneringen.
Die waren het enige dat Takuri nog had in deze vreemde nieuwe tijd. Wat had de wereld zo drastisch veranderd? Hoe kwam hij hier, waar kwam hij vandaan?
Zelfs binnenin zijn ziel wist men het niet. Maar hij was deze wereld dankbaar. Alles was anders, maar er was volop leven om te verschalken.
Hij keek naar al dat leven, en hoorde de regen vallen.

De regen viel het eerst in nuchter Angelsaxië, waar iedereen het goed had en klaagde over het weer.
Zachtjes tikte hij tegen het raam. Een schrijver zat op zijn pen te kluiven. Zijn blik gleed van de blauwe lijnen in zijn schrift naar de berg propjes in en om de prullenbak. Hij zat hier al een uur. Kom op! Het was bijna Halloween, zijn specialiteit, en het was al een maand geleden dat ze hem vroegen.
Hij keek naar buiten. Overal grijstinten en een poging tot kleur. Geen wind, geen donder en bliksem. “Misschien toch maar wat series kijken voor een idee,” mompelde hij.
Nauwelijks waren hem die woorden ontsnapt of de deur ging krakend open. Een kille windvlaag deed zijn schrift wapperen. Dit leek er meer op. Hij begon ijverig mee te schrijven. De wind, de piepende deuren, een gebonk beneden. Voetstappen op de trap. Perfect!
Hij stopte.
Bij de deur stond een vreemdeling. Verbijsterd vergat hij dit te noteren. “Hallo?”
De man die onuitgenodigd zijn schrijfdomein betrad, was van onbestemde leeftijd, jong en oud tegelijk. Hij was rijk gekleed, had lang zwart haar en ogen in de kleur van een soort violet.
“Hoe kom je hier binnen?”
Hij glimlachte. “Vergeef me. Uw achterdeur stond open, en Ik zag u daar zo zitten kniezen alsof u wel wat hulp kon gebruiken.” Hij stak een smalle hand uit. “De mensen noemen mij Amatis, meester van de inspiratiebron.”
“Welke inspiratiebron?”
“Elke,” antwoordde de man. “Zal ik u hem laten zien?”
De schrijver aarzelde. Amatis, dat klonk verdacht als amateur.

Takuri spoorde hem zwijgend aan. Oh aarzel toch niet! Ga met hem mee, ga…

“Ik wil best wel even komen kijken, maar mijn moeder, ze weet niet…”
“Laat een briefje achter,” zei de bezoeker. “Voor u het weet bent u weer hier. De inspiratiebron is een zee van tijd.”
Schouderophalend schreef hij het briefje en volgde hem naar buiten. Met vreemde mannen meegaan was niets voor hem, maar een klein zakmes drukte sussend tegen zijn heup.

Ze liepen de straat uit, de stad uit, langs de snelweg. Ze zwegen. De schrijver voelde zich alsof hij van zijn huis werd losgescheurd. Hij keek meermalen achterom.
“Waar gaan we heen?” vroeg hij aan de man die hem voorging.
“Naar een unieke plek, waarvan slechts enkelen bestaan hier op aarde,” antwoordde Amatis. “U hebt vast weleens gehoord van de Zielmeester.”
“Soort van. Ik weet dat hij mensen laat verdwijnen.”
“Hij neemt hen tot zich,” verbeterde Amatis. “Zo komen ze in zijn ziel terecht. Wij zien een doodgewone man, maar vanbinnen is hij een hele wereld.”
Hij knikte. De stomme TV-programma’s met hun special effects logen er niet om; mensen werden gillend en smekend door zijn borstkas gesleurd of verdwenen in zijn mond. Smakeloos.
”Hij is echter niet alleen daar waar zijn lichaam is,” vervolgde de man. “Op enkele plaatsen loop je ongemerkt zijn ziel binnen. Waar en wanneer weet je pas als het te laat is en je niet meer terug kunt.”
“En jij wilt naar zo’n plek?”
“Inderdaad.”
De schrijver knikte. Hij vond het allemaal onzin, al was het idee op zich best bruikbaar.
Het bos dat zij betraden was zo donker dat het dag noch nacht leek, en eer ze het verlieten was de omgeving bepaald niet Angelsaxisch meer. Voor hen verhief zich een rode rotswand, hier en daar begroeid met mossen. Er ging een zekere warmte vanuit. Alsof er iemand voor hem stond. Hij moest zich bedwingen niet terug te deinzen. Dat knagende gevoel was wel inspirerend genoeg zo.
Amatis liep naar de rots en legde zijn hand ertegen. Een steen kwam los uit het gebergte en schoof opzij alsof het piepschuim was. De doorgang erachter was verrassend zwart.
“Wilt u mij volgen?”
“Eigenlijk niet,” dacht de jonge schrijver terwijl hij gehoorzaamde. Zijn ogen protesteerden tegen het zwarte gordijn. De vochtige atmosfeer werd hoe langer hoe zwaarder. Er ritselde niets. Hij voelde zijn bloed suisen en zijn hart bonzen.
Amatis’ stem deed hem opschrikken.
“Ziehier, de inspiratiebron.”

De zeshoekige zaal werd meer verlicht door de stomende bron zelf, dan door de fakkels aan de muren. Hij voelde de klamme warmte en rook de geur die, in tegenstelling tot die van andere warme bronnen, heel zoet was.
Er klonken stemmen in de verte en even later stapten drie mannen de zaal binnen, geanimeerd pratend in een taal die hij niet herkende.
“Mensen van over de hele wereld bezoeken deze bron op zoek naar inspiratie,” vertelde Amatis. De drie mannen stapten zonder aarzelen het water in en gingen kopje onder. Langzaam werd het stil. Het oppervlak kwam tot rust.
“Waar blijven ze?”
“Ik laat het u zien, mijn beste schrijver. Volg me en doe precies wat ik doe.” Hij liep naar de rand en stapte in de bron, goed gekleed en wel. Verbijsterd volgde de auteur zijn voorbeeld, na te hebben gecontroleerd of zijn zakmes nog present was. De temperatuur was precies goed. Eerst wat aan de warme kant, maar toen zo rustgevend als een ligbad. Hij ontspande zich.
Plotseling zoog een sterke stroming hem omlaag. Hij hapte naar adem maar was te laat en kreeg zijn longen vol water. Hij hoestte, bedwong zich en hield zijn adem in. Nu al begon zijn hoofd te bonzen. Nu al tintelde zijn lijf. Hij sperde zijn ogen open en zag Amatis in een gouden gloed, zijn haren zacht wuivend onder water. Amatis keek hem recht aan en grijnsde.
De afdaling was een verschrikking. Om de zoveel seconden begon hij te stuipen en te trekken, telkens verslapte hij weer, waarna alles opnieuw begon. Juist toen hij wenste dat hij dood was, voelde hij zichzelf zwakjes ademen. Alsof hij nu door dichte nevel ging in plaats van water. Amatis zag er onmenselijk uit in het vurige licht.
Ze zweefden omlaag, alsof ze nog steeds zonken, en toen raakten zijn voeten grond. Dadelijk zakte hij door zijn knikkende knieën. Hij hijgde. Het zware gevoel was sterker dan ooit. Als hij science fiction schreef, zou hij dit omschrijven als “een extra g-tje zwaartekracht”.
Ze bevonden zich in een hal waar vele tunnels op uitkwamen. Mensen liepen in en uit. Achter stenen deuren klonk geschreeuw en waanzinnig gelach, houweelslagen en muziek. De drie mannen gingen een gang binnen en werden opgeslokt door duisternis.
“Je bevindt je nu in de Inspiratiebron. Hier vind je alles wat je nodig hebt voor een goed Halloweenverhaal. Volg me.”
Het viel hem op dat Amatis was gaan tutoyeren, maar om eerlijk te zijn had hij wel wat anders aan zijn hoofd.

Takuri bleef staan. De zoete smaak van leven was op zijn tong. Vier bekenden, één nieuweling. Hij deed even zijn ogen dicht en huiverde. Hoe moest dat met de hele wereld, als deze ene kunstenaar zo heerlijk was?

In korte tijd zag de schrijver meer dan hij ooit had geschreven, gelezen of zelfs maar gedroomd: Een grauwe broeierige hemel, als een dak op instorten. Tempels gebouwd rond donkere poelen. Een hangbrug door een spelonk vol vuur. Een demonische kop die hem aanstaarde als de kaft van een slecht horrorboek.
`Een mooie attractie,` dacht hij verdwaasd. “De techniek gaat hard.”
Amatis keek niet eens om zich heen. Hij liep voor hem uit alsof hij dit elke dag deed. Tenslotte bleef hij voor een dichte deur staan, legde zijn hand erop, mompelde iets en stapte opzij. De deur ging open.
Dit leek weer een beetje op de werkelijkheid: zachte banken, tafels en stoelen, kasten vol schrijfgerei en in het midden een open ruimte. Amatis stapte die ruimte op en draaide zich om.
“Luister goed. Jouw belangrijkste eigenschappen zijn deze:
Inlevingsvermogen, in situaties en gevoelens die niet van jou zijn,
en natuurlijk de schrijfkunst: het vermogen de lezers daarin mee te slepen.
Aan die twee eigenschappen gaan wij werken. Je schrijft voor Halloween?”
“Ja. De jongens vroegen om iets lekker bloederigs.”
“Zoals wat?”
“Nou eh, veel detail. Alsof ze de pijn van het slachtoffer kunnen voelen.”
Amatis’ ogen fonkelden. “Dan moet uiteraard eerst de schrijver het voelen.”
Een lichtflits, een mes, in Amatis’ hand. Instinctief greep de jonge schrijver naar zijn eigen mes maar de lucht zelf hield zijn hand stil. Een zacht gegrom weergalmde om hem heen. Geschrokken keek hij rond.
“Inlevingsvermogen, jij schrijver! Je grootste kracht! Voel je verhaal!”
Het mes schoot naar voren. Zijn adem stokte. Kilte, onmiddellijk gevolgd door verlammende pijn. Al zijn spieren verkrampten. Zijn ogen draaiden weg. Het mes vlak onder zijn navel hield hem overeind.
“Mag dit in je verhaal?” Amatis greep het heft steviger vast en langzaam, tergend langzaam schoof het mes in hem naar boven, alles op zijn pad verwoestend. De pijn werd verstikking. Lichaamssappen drongen door waar zij niet hoorden. Zijn ene long weigerde dienst. Amatis draaide het mes een kwartslag en bracht het puntje bij zijn rug naar buiten, iets wat hij niet langer voelde. Hij verloor zijn mens, toen zijn dier, toen zijn bestaan. Hij was pijn.
Het volgende moment klemde zijn hand zich om een zachte keel terwijl de andere zijn zakmes trok. Hij hoorde schreeuwen, herkende toen zijn eigen stem en langzaam werden het woorden.
“Wat wou je nou doen hè? Bedrieger! Huichelaar!”
Zijn gastheer prevelde zacht, “Goed zo, vermoord me maar. Dat mag natuurlijk allemaal in je verhaal.”
Het mes viel op de grond. Hij hijgde. Geen bloed, geen pijn.
“Wat was dat?”
Zijn gids kwam overeind. “Inlevingsvermogen. Je moet goed weten hoe iets is om het door te kunnen geven aan je lezers. Maar wacht, er is meer dat je moet weten.”
Hij sloot zijn ogen opnieuw, zette zijn handen tegen elkaar en mompelde als in gebed. Er klonk een luide ‘whoosh!’ en de schrijver stond in een ring van vuur.
Het was geen hitte meer. Het was pijn waarvoor geen uitroep bestond. Als hij niet schreeuwde, kuchte of kreunde hij. Het mes was niets. Dit waren er miljoenen. Hij moest dood. Nu.
Toen het vuur verdween en hij voorover viel, was hij niet gewond. Hij was in shock.
Amatis trok hem aan zijn haren overeind. “Het leven van een auteur is zwaar jongen.” Zijn grijns werd een bloeddorstige grauw. “Je wilt inspiratie? Alsjeblieft! En ik heb nog veel meer voor je!”

Hij schrok op. Verward keek hij rond maar zag niets. Echt niets. Zwart boven hem, zwart onder hem. Doodse stilte, geen grond en geen muren. Niets.
“Hallo? Hallo? Hallo? Hallo?” zijn echo’s werden oorverdovend, stopten toen abrupt. Hij wachtte.
Niets.
Langzaam kroop de wanhoop in hem omhoog, beginnend bij wat zijn voeten moesten zijn. Zodra het zijn borstkas bereikte, begaf zijn verstand het en sloeg hij verwilderd om zich heen. De galm van zijn kreten beet in zijn trommelvliezen. Zijn oren piepten. Zijn wangen waren kletsnat. Wie was hij? En wie was het die zijn tranen droogde? Hij zat overal, levend, aanwezig, hem neervleiend…
Toen was Amatis daar, alsof er geen tijd verstreken was.
“Zo. Zijn die drie dingen voldoende om er een leuk verhaal van te maken?”

Eén ogenblik stond de schrijver doodstil.
Toen begon het. Elk deel van zijn lijf gloeide en bruiste. Zijn kruintje en vingertoppen tintelden, zijn hart sloeg fel en krachtig. Een vreemde energie doorstroomde zijn aderen. Hij raakte bedwelmd.
“Ik leef,” schoot het door hem heen. “Ik heb het!”
Hij greep Amatis bij de schouders en staarde hem aan, zijn ogen wijdopen, zwaar ademend van ditmaal extase. “Geef me de pen, vlug!”
De man glimlachte en bracht hem naar zijn schrijftafel. Een bloknoot en een rode, roestig ruikende inkt wachtten hem op. Met handen die trilden van ongeduld vulde hij zijn pen ermee. Vliegensvlug bewoog zijn hand over het papier en de schrijver verdronk in zijn eigen verhaal.

Elk familielid huiverde op het feest van Halloween. Hun afschuw was groter dan ze prettig vonden op zo’n feestje. Kleine kinderen huilden. Verscheidene mensen lieten hun hapjes staan, en de auteur zelf zag er afgepeigerd uit.
Maar toen hij twee weken later aan zijn nieuwe opdracht begon, knauwde hij opnieuw op zijn pen. Hij dacht aan Amatis. Hij dacht in feite aan niets anders.
“Ik moet ernaar terug.”
Inwendig huiverde hij, zijn afschuw even groot als zijn verlangen, en hij herinnerde zich vaag hoe hij naar buiten stapte, het zonlicht in. Intens opgelucht, alsof hij uit de maag van een monster was gered.
Waar zou die bron ergens zitten? Niet in Angelsaxië, dat wist hij zeker. Het leek zo vlakbij. Amatis had iets gezegd over de wereld en de Zielmeester…
Een verkwikkend briesje opende de deur. De vreemdeling stond daar.
Hij sprong op. “Jij! Hoe kom je hier?”
“Meneer, uw moeder is de heg aan het snoeien en heeft de voordeur laten openstaan…”
“Die smoesjes geloof ik niet!” Hij ging weer zitten. “Wat kom je doen?”
“Ik kom je teleurstellen.” Amatis boog lichtjes. “Je verlangt naar meer inspiratie, en die kan ik je niet langer geven.”
“Wat? Waarom niet?”
“De bron wordt slechts eenmaal geopend voor talenten zoals jij. Je zult het voortaan zonder moeten doen.”
Het laatste restje kleur verdween uit zijn gezicht en visie. “Nee,” zei hij schor. “Er moet een manier zijn, dat moet!”
“Misschien.” Amatis keek bedachtzaam. “Er is één mogelijkheid, maar dan moet je er wel wat voor doen.”
“Wat?”
“Als je hem ditmaal betreedt, kom je er niet meer uit. Je zult de bron voeden. Hem erkennen als je meester.”
Hij fronste. “Een leermeester?”
“De Zielmeester,” zei Amatis scherp. “De inspiratiebron heeft je geproefd. Nu wil hij je terug.”
“Ik doe het!”
“Ik doe het, ik doe het,” galmden zijn woorden, zoals in die levende duisternis. Amatis stapte op hem af. Koele lippen tegen zijn gloeiende voorhoofd. Hij nam hem bij de hand.
“Goeie keus, schrijver. U bent een zeer verstandig man..”

Een reactie plaatsen