De inspiratiebron

De inspiratiebron

Een fragment uit het boek Zielespinsels

Herinneringen.
Die waren het enige dat Takuri nog had in deze vreemde nieuwe tijd. Wat had de wereld zo drastisch veranderd? Hoe kwam hij hier, waar kwam hij vandaan?
Zelfs binnenin zijn ziel wist men het niet. Maar hij was deze wereld dankbaar. Alles was anders, maar er was volop leven om te verschalken.
Hij keek naar al dat leven, en hoorde de regen vallen.

De regen viel het eerst in nuchter Angelsaxië, waar iedereen het goed had en klaagde over het weer.
Zachtjes tikte hij tegen het raam. Een schrijver zat op zijn pen te kluiven. Zijn blik gleed van de blauwe lijnen in zijn schrift naar de berg propjes in en om de prullenbak. Hij zat hier al een uur. Kom op! Het was bijna Halloween, zijn specialiteit, en het was al een maand geleden dat ze hem vroegen.
Hij keek naar buiten. Overal grijstinten en een poging tot kleur. Geen wind, geen donder en bliksem. “Misschien toch maar wat series kijken voor een idee,” mompelde hij.
Nauwelijks waren hem die woorden ontsnapt of de deur ging krakend open. Een kille windvlaag deed zijn schrift wapperen. Dit leek er meer op. Hij begon ijverig mee te schrijven. De wind, de piepende deuren, een gebonk beneden. Voetstappen op de trap. Perfect!
Hij stopte.
Bij de deur stond een vreemdeling. Verbijsterd vergat hij dit te noteren. “Hallo?”
De man die onuitgenodigd zijn schrijfdomein betrad, was van onbestemde leeftijd, jong en oud tegelijk. Hij was rijk gekleed, had lang zwart haar en ogen in de kleur van een soort violet.
“Hoe kom je hier binnen?”
Hij glimlachte. “Vergeef me. Uw achterdeur stond open, en Ik zag u daar zo zitten kniezen alsof u wel wat hulp kon gebruiken.” Hij stak een smalle hand uit. “De mensen noemen mij Amatis, meester van de inspiratiebron.”
“Welke inspiratiebron?”
“Elke,” antwoordde de man. “Zal ik u hem laten zien?”
De schrijver aarzelde. Amatis, dat klonk verdacht als amateur.

Takuri spoorde hem zwijgend aan. Oh aarzel toch niet! Ga met hem mee, ga…

“Ik wil best wel even komen kijken, maar mijn moeder, ze weet niet…”
“Laat een briefje achter,” zei de bezoeker. “Voor u het weet bent u weer hier. De inspiratiebron is een zee van tijd.”
Schouderophalend schreef hij het briefje en volgde hem naar buiten. Met vreemde mannen meegaan was niets voor hem, maar een klein zakmes drukte sussend tegen zijn heup.

Ze liepen de straat uit, de stad uit, langs de snelweg. Ze zwegen. De schrijver voelde zich alsof hij van zijn huis werd losgescheurd. Hij keek meermalen achterom.
“Waar gaan we heen?” vroeg hij aan de man die hem voorging.
“Naar een unieke plek, waarvan slechts enkelen bestaan hier op aarde,” antwoordde Amatis. “U hebt vast weleens gehoord van de Zielmeester.”
“Soort van. Ik weet dat hij mensen laat verdwijnen.”
“Hij neemt hen tot zich,” verbeterde Amatis. “Zo komen ze in zijn ziel terecht. Wij zien een doodgewone man, maar vanbinnen is hij een hele wereld.”
Hij knikte. De stomme TV-programma’s met hun special effects logen er niet om; mensen werden gillend en smekend door zijn borstkas gesleurd of verdwenen in zijn mond. Smakeloos.
”Hij is echter niet alleen daar waar zijn lichaam is,” vervolgde de man. “Op enkele plaatsen loop je ongemerkt zijn ziel binnen. Waar en wanneer weet je pas als het te laat is en je niet meer terug kunt.”
“En jij wilt naar zo’n plek?”
“Inderdaad.”
De schrijver knikte. Hij vond het allemaal onzin, al was het idee op zich best bruikbaar.
Het bos dat zij betraden was zo donker dat het dag noch nacht leek, en eer ze het verlieten was de omgeving bepaald niet Angelsaxisch meer. Voor hen verhief zich een rode rotswand, hier en daar begroeid met mossen. Er ging een zekere warmte vanuit. Alsof er iemand voor hem stond. Hij moest zich bedwingen niet terug te deinzen. Dat knagende gevoel was wel inspirerend genoeg zo.
Amatis liep naar de rots en legde zijn hand ertegen. Een steen kwam los uit het gebergte en schoof opzij alsof het piepschuim was. De doorgang erachter was verrassend zwart.
“Wilt u mij volgen?”
“Eigenlijk niet,” dacht de jonge schrijver terwijl hij gehoorzaamde. Zijn ogen protesteerden tegen het zwarte gordijn. De vochtige atmosfeer werd hoe langer hoe zwaarder. Er ritselde niets. Hij voelde zijn bloed suisen en zijn hart bonzen.
Amatis’ stem deed hem opschrikken.
“Ziehier, de inspiratiebron.”

De zeshoekige zaal werd meer verlicht door de stomende bron zelf, dan door de fakkels aan de muren. Hij voelde de klamme warmte en rook de geur die, in tegenstelling tot die van andere warme bronnen, heel zoet was.
Er klonken stemmen in de verte en even later stapten drie mannen de zaal binnen, geanimeerd pratend in een taal die hij niet herkende.
“Mensen van over de hele wereld bezoeken deze bron op zoek naar inspiratie,” vertelde Amatis. De drie mannen stapten zonder aarzelen het water in en gingen kopje onder. Langzaam werd het stil. Het oppervlak kwam tot rust.
“Waar blijven ze?”
“Ik laat het u zien, mijn beste schrijver. Volg me en doe precies wat ik doe.” Hij liep naar de rand en stapte in de bron, goed gekleed en wel. Verbijsterd volgde de auteur zijn voorbeeld, na te hebben gecontroleerd of zijn zakmes nog present was. De temperatuur was precies goed. Eerst wat aan de warme kant, maar toen zo rustgevend als een ligbad. Hij ontspande zich.
Plotseling zoog een sterke stroming hem omlaag. Hij hapte naar adem maar was te laat en kreeg zijn longen vol water. Hij hoestte, bedwong zich en hield zijn adem in. Nu al begon zijn hoofd te bonzen. Nu al tintelde zijn lijf. Hij sperde zijn ogen open en zag Amatis in een gouden gloed, zijn haren zacht wuivend onder water. Amatis keek hem recht aan en grijnsde.
De afdaling was een verschrikking. Om de zoveel seconden begon hij te stuipen en te trekken, telkens verslapte hij weer, waarna alles opnieuw begon. Juist toen hij wenste dat hij dood was, voelde hij zichzelf zwakjes ademen. Alsof hij nu door dichte nevel ging in plaats van water. Amatis zag er onmenselijk uit in het vurige licht.
Ze zweefden omlaag, alsof ze nog steeds zonken, en toen raakten zijn voeten grond. Dadelijk zakte hij door zijn knikkende knieën. Hij hijgde. Het zware gevoel was sterker dan ooit. Als hij science fiction schreef, zou hij dit omschrijven als “een extra g-tje zwaartekracht”.
Ze bevonden zich in een hal waar vele tunnels op uitkwamen. Mensen liepen in en uit. Achter stenen deuren klonk geschreeuw en waanzinnig gelach, houweelslagen en muziek. De drie mannen gingen een gang binnen en werden opgeslokt door duisternis.
“Je bevindt je nu in de Inspiratiebron. Hier vind je alles wat je nodig hebt voor een goed Halloweenverhaal. Volg me.”
Het viel hem op dat Amatis was gaan tutoyeren, maar om eerlijk te zijn had hij wel wat anders aan zijn hoofd.

Takuri bleef staan. De zoete smaak van leven was op zijn tong. Vier bekenden, één nieuweling. Hij deed even zijn ogen dicht en huiverde. Hoe moest dat met de hele wereld, als deze ene kunstenaar zo heerlijk was?

In korte tijd zag de schrijver meer dan hij ooit had geschreven, gelezen of zelfs maar gedroomd: Een grauwe broeierige hemel, als een dak op instorten. Tempels gebouwd rond donkere poelen. Een hangbrug door een spelonk vol vuur. Een demonische kop die hem aanstaarde als de kaft van een slecht horrorboek.
`Een mooie attractie,` dacht hij verdwaasd. “De techniek gaat hard.”
Amatis keek niet eens om zich heen. Hij liep voor hem uit alsof hij dit elke dag deed. Tenslotte bleef hij voor een dichte deur staan, legde zijn hand erop, mompelde iets en stapte opzij. De deur ging open.
Dit leek weer een beetje op de werkelijkheid: zachte banken, tafels en stoelen, kasten vol schrijfgerei en in het midden een open ruimte. Amatis stapte die ruimte op en draaide zich om.
“Luister goed. Jouw belangrijkste eigenschappen zijn deze:
Inlevingsvermogen, in situaties en gevoelens die niet van jou zijn,
en natuurlijk de schrijfkunst: het vermogen de lezers daarin mee te slepen.
Aan die twee eigenschappen gaan wij werken. Je schrijft voor Halloween?”
“Ja. De jongens vroegen om iets lekker bloederigs.”
“Zoals wat?”
“Nou eh, veel detail. Alsof ze de pijn van het slachtoffer kunnen voelen.”
Amatis’ ogen fonkelden. “Dan moet uiteraard eerst de schrijver het voelen.”
Een lichtflits, een mes, in Amatis’ hand. Instinctief greep de jonge schrijver naar zijn eigen mes maar de lucht zelf hield zijn hand stil. Een zacht gegrom weergalmde om hem heen. Geschrokken keek hij rond.
“Inlevingsvermogen, jij schrijver! Je grootste kracht! Voel je verhaal!”
Het mes schoot naar voren. Zijn adem stokte. Kilte, onmiddellijk gevolgd door verlammende pijn. Al zijn spieren verkrampten. Zijn ogen draaiden weg. Het mes vlak onder zijn navel hield hem overeind.
“Mag dit in je verhaal?” Amatis greep het heft steviger vast en langzaam, tergend langzaam schoof het mes in hem naar boven, alles op zijn pad verwoestend. De pijn werd verstikking. Lichaamssappen drongen door waar zij niet hoorden. Zijn ene long weigerde dienst. Amatis draaide het mes een kwartslag en bracht het puntje bij zijn rug naar buiten, iets wat hij niet langer voelde. Hij verloor zijn mens, toen zijn dier, toen zijn bestaan. Hij was pijn.
Het volgende moment klemde zijn hand zich om een zachte keel terwijl de andere zijn zakmes trok. Hij hoorde schreeuwen, herkende toen zijn eigen stem en langzaam werden het woorden.
“Wat wou je nou doen hè? Bedrieger! Huichelaar!”
Zijn gastheer prevelde zacht, “Goed zo, vermoord me maar. Dat mag natuurlijk allemaal in je verhaal.”
Het mes viel op de grond. Hij hijgde. Geen bloed, geen pijn.
“Wat was dat?”
Zijn gids kwam overeind. “Inlevingsvermogen. Je moet goed weten hoe iets is om het door te kunnen geven aan je lezers. Maar wacht, er is meer dat je moet weten.”
Hij sloot zijn ogen opnieuw, zette zijn handen tegen elkaar en mompelde als in gebed. Er klonk een luide ‘whoosh!’ en de schrijver stond in een ring van vuur.
Het was geen hitte meer. Het was pijn waarvoor geen uitroep bestond. Als hij niet schreeuwde, kuchte of kreunde hij. Het mes was niets. Dit waren er miljoenen. Hij moest dood. Nu.
Toen het vuur verdween en hij voorover viel, was hij niet gewond. Hij was in shock.
Amatis trok hem aan zijn haren overeind. “Het leven van een auteur is zwaar jongen.” Zijn grijns werd een bloeddorstige grauw. “Je wilt inspiratie? Alsjeblieft! En ik heb nog veel meer voor je!”

Hij schrok op. Verward keek hij rond maar zag niets. Echt niets. Zwart boven hem, zwart onder hem. Doodse stilte, geen grond en geen muren. Niets.
“Hallo? Hallo? Hallo? Hallo?” zijn echo’s werden oorverdovend, stopten toen abrupt. Hij wachtte.
Niets.
Langzaam kroop de wanhoop in hem omhoog, beginnend bij wat zijn voeten moesten zijn. Zodra het zijn borstkas bereikte, begaf zijn verstand het en sloeg hij verwilderd om zich heen. De galm van zijn kreten beet in zijn trommelvliezen. Zijn oren piepten. Zijn wangen waren kletsnat. Wie was hij? En wie was het die zijn tranen droogde? Hij zat overal, levend, aanwezig, hem neervleiend…
Toen was Amatis daar, alsof er geen tijd verstreken was.
“Zo. Zijn die drie dingen voldoende om er een leuk verhaal van te maken?”

Eén ogenblik stond de schrijver doodstil.
Toen begon het. Elk deel van zijn lijf gloeide en bruiste. Zijn kruintje en vingertoppen tintelden, zijn hart sloeg fel en krachtig. Een vreemde energie doorstroomde zijn aderen. Hij raakte bedwelmd.
“Ik leef,” schoot het door hem heen. “Ik heb het!”
Hij greep Amatis bij de schouders en staarde hem aan, zijn ogen wijdopen, zwaar ademend van ditmaal extase. “Geef me de pen, vlug!”
De man glimlachte en bracht hem naar zijn schrijftafel. Een bloknoot en een rode, roestig ruikende inkt wachtten hem op. Met handen die trilden van ongeduld vulde hij zijn pen ermee. Vliegensvlug bewoog zijn hand over het papier en de schrijver verdronk in zijn eigen verhaal.

Elk familielid huiverde op het feest van Halloween. Hun afschuw was groter dan ze prettig vonden op zo’n feestje. Kleine kinderen huilden. Verscheidene mensen lieten hun hapjes staan, en de auteur zelf zag er afgepeigerd uit.
Maar toen hij twee weken later aan zijn nieuwe opdracht begon, knauwde hij opnieuw op zijn pen. Hij dacht aan Amatis. Hij dacht in feite aan niets anders.
“Ik moet ernaar terug.”
Inwendig huiverde hij, zijn afschuw even groot als zijn verlangen, en hij herinnerde zich vaag hoe hij naar buiten stapte, het zonlicht in. Intens opgelucht, alsof hij uit de maag van een monster was gered.
Waar zou die bron ergens zitten? Niet in Angelsaxië, dat wist hij zeker. Het leek zo vlakbij. Amatis had iets gezegd over de wereld en de Zielmeester…
Een verkwikkend briesje opende de deur. De vreemdeling stond daar.
Hij sprong op. “Jij! Hoe kom je hier?”
“Meneer, uw moeder is de heg aan het snoeien en heeft de voordeur laten openstaan…”
“Die smoesjes geloof ik niet!” Hij ging weer zitten. “Wat kom je doen?”
“Ik kom je teleurstellen.” Amatis boog lichtjes. “Je verlangt naar meer inspiratie, en die kan ik je niet langer geven.”
“Wat? Waarom niet?”
“De bron wordt slechts eenmaal geopend voor talenten zoals jij. Je zult het voortaan zonder moeten doen.”
Het laatste restje kleur verdween uit zijn gezicht en visie. “Nee,” zei hij schor. “Er moet een manier zijn, dat moet!”
“Misschien.” Amatis keek bedachtzaam. “Er is één mogelijkheid, maar dan moet je er wel wat voor doen.”
“Wat?”
“Als je hem ditmaal betreedt, kom je er niet meer uit. Je zult de bron voeden. Hem erkennen als je meester.”
Hij fronste. “Een leermeester?”
“De Zielmeester,” zei Amatis scherp. “De inspiratiebron heeft je geproefd. Nu wil hij je terug.”
“Ik doe het!”
“Ik doe het, ik doe het,” galmden zijn woorden, zoals in die levende duisternis. Amatis stapte op hem af. Koele lippen tegen zijn gloeiende voorhoofd. Hij nam hem bij de hand.
“Goeie keus, schrijver. U bent een zeer verstandig man..”

Flow

Inspiratie, ingeving, de intuïtie en de flow. Het heeft wel duizend namen en iedereen herkent het als het komt.
Hieronder wil ik vier momenten met je delen waarop mijn muziek of schrijfsels loopjes met me namen, het toeval iets heel grappigs deed en de inspiratie mij besprong.

1. De vonk
Er was eens een schrijver die niets wist te schrijven. De deadline sloop gevaarlijk grommend naderbij, en dus besloot de schrijver iets te schrijven over een schrijver die niets wist, en over de gevaarlijke zoektocht die daarop volgde…
Op het moment dat hij dit besloot te schrijven, begon het bloed te gloeien in zijn aderen. Hij steeg op, kwam tot leven, schreeuwde het van de daken, klom er weer af en schreef zijn verhaal.
Dit soort momenten zijn niet te vangen. Zij vangen jou. Aan de deadline ben je dan ontkomen, maar niet aan de inspiratie.

2. De knop
Een musicus haalde traag adem terwijl zijn handen werktuiglijk langs synthesizer en computer gingen. Hier iets harder, daar een fade-out. Hier misschien een spoortje minder, of toch een ander instrument. Hij was in een trance die al uren duurde, en besefte niet hoe lang hij hier gezeten had.
En toen ging er een knop om.
“Klaar.”
Zomaar uit het niets klonk de geluidloze stem. “Stop. Het is klaar. Niets meer aan doen.”
Verbaasd keek de man naar zijn scherm. Hij wist neit waar dit gevoel vandaan kwam, maar sinds die laatste kleine wijziging was het stuk opeens af.

3. De rem
“Zo, eens kijken hoe dit verhaal verder gaat. Ik denk dat er dit of dat gebeurt, en eigenlijk weet ik dat wel zeker. Ik heb immers braaf mijn opzetje gemaakt en weet precies wat de personages zullen gaan doen, en zo niet, dan heb ik toch tenminste een vage outline in mijn ho…
Hooo!
Wat doen jullie nou personages? Dit stond niet in het script! Kom terug jullie! Waar zit jullie rem?
Pff, oké. Dan ga ik wel verder zonder jullie.
Ah nee! Nee jongen dit meen je niet. Dit ga je je lezers niet aandoen toch?
Te laat. Al gebeurd.
Zucht. Nou, voor deze keer laat ik het staan. Maar de volgende keer ga ik niet achter mijn eigen verhaal aanhollen hoor!

4. De goede fout
“Dat wordt mooie muziek, dit hoofdstuk wordt echt gaaf. Hoeveel sporen heeft deze scene eigenlijk?
Dertig?
Man dat is veel! Hoe weet ik nu waar welk instrument zit? Oeps, en dan druk ik ook nog eens de delete-knop in. Nou is de helft van de sporen naar links verplaatst.
Hey, dat klinkt eigenlijk best leuk!
Eigenlijk klinkt dit nog veel mooier dan eerst!
Jaaaaaa! Ik heb per ongeluk iets moois gemaakt! Dank je, deletetoets!!

Testimonials 1

“Even een paar woorden die in me opkomen naar aanleiding van jouw verhalen: geheimzinnig,spannend,onvoorspelbaar, verrassend, sinister, eng, cynisch, komisch, indrukwekkend, meeslepend.”
— Ankie Vosmeer

“Je bent geen blinde schrijfster. Je schrijft juist adembenemend visueel. Je leest prachtig in en muziek en geluid zijn een eenheid. Ik dring zonder moeite door in het verhaal. Of liever: het verhaal dringt in mij.”
— Dirk Jan Kiel

“Jouw luisterfilm is iets heel anders dan een boek of een film. Het is een wonderlijke beleving. Fantasy is mijn favoriete genre, maar Welkom in mijn Ziel blijkt een genre binnen het genre. Soms wat bevreemdend, maar mytisch en spannend, avontuurlijk en liefdevol. Ik stapte bijna letterlijk een nieuwe wereld binnen. Eerst luisterde ik verwonderd naar elke klank, elke zin. Wat ik daardoor zag met mijn ogen dicht was het avontuur en de magie. Geleidelijk nam het verhaal me in zich op. Begon ik hongerig te worden naar die zielmeester. Ik wilde weten hoe het Gaisha zou vergaan en raakte een beetje verslingerd aan die naïeve Shafa Li en aan meester Muramasa. Je hebt mij iets nieuws laten proeven. En het smaakt naar meer. Gelukkig heb ik nog een heel boek 2 om te beleven.”
— Sabine Schippers

“Jouw luisterfilms zijn een mooie combinatie van muziek, geluid en een
meeslepend verhaal. Het genre van jouw verhalen is uniek, ik zou het
niet kunnen vergelijken met andere boeken die ik gelezen heb. De
muziek maakt de verhalen extra meeslepend. Ook door de geluiden lijkt
het alsof je je in de wereld bevindt waar het verhaal zich afspeelt. Elk van je drie boeken is anders, en toch sluiten ze mooi op elkaar aan.”
— Evelyn

“In 1 woord: geweldig! Je wordt mee gesleurd in het verhaal, door de muziek en geluiden eromheen. Verder vind ik het een fijne stem om naar te luisteren. Het lijkt net of je naar een film luistert, maar dan één waar geen beelden voor nodig zijn.”
— Paulien Neleman

“Wanneer ik een gewoon boek lees is er als het ware een innerlijke stem die de woorden voorleest. Een luisterfilm is Een totaal andere ervaring; De combinatie muziek en woord zuigt me in het verhaal. Hij leidt mij naar de wereld achter de woorden, door de schrijver opgeroepen ofwel door mijn fantasie bij de woorden geschapen.”
— Gertjaap Kardol

“Elf jaar geleden maakte ik voor het eerst kennis met de Luisterfilm. In die periode werd hij voor vrienden uitgegeven. Dit was iets om naar uit te kijken; daar had je weer zo’n gesproken boek van Rebecca! Met ieder boek groeide het verhaal en de techniek. Vandaag de dag zijn het meesterwerken van geluid, muziek en stem. Schilderingen op het netvlies, een genot voor het oor. De lezer stapt werkelijk de wereld in en wordt de personages.
Hoewel ik een kritische lezer ben staat Rebex Luisterfilms bovenaan mijn lijstje. Omdat ik, steeds als ik haar boeken uit heb, huiverend op de bank achterblijf.”

Mensjes kijken – een verhaal over perspectief

Andere goden moeten vaak lachen als ze me weer eens in het gras zien liggen kijken naar de wereld. Dan zeggen ze dingen als: “Ah, to be young!” Of: “Ik wou dat ik zoveel tijd had om te relaxen.”
Blijkbaar vinden ze het saai. Toegegeven, bepaalde diersorten vallen in herhaling. De mens bijvoorbeeld. Bouwen, breken. Bouwen, breken. Wat vinden ze daar nou aan?
Toch vind ik het leuk om te kijken. Wie zal er vandaag de hoogste toren bouwen? Wie zal er vandaag beginnen over welke god de beste is? Ik hoop nog steeds dat ze mij een keertje kiezen. Of ons allemaal.

Gefascineerd staar ik naar het uitvinden, het doodgaan en het feestvieren. Dan valt mijn oog op een mens die steeds op dezelfde plek blijft. Ik zoom in, steeds verder in, en zie hem aan een tafeltje zitten. Op de tafel ligt een papier en op dat papier tekent hij de wereld. Op die wereld wordt uitgevonden, gedood en feest gevierd. Het is een aardige schets van de werkelijkheid. Ik blijf een tijdje kijken en zoom dan weer uit. Het wordt algauw saai. Gauw check ik de laatste oorlog om geen aflevering te missen.

Na een tijd kijk ik opnieuw naar het persoontje aan de tafel. Hij zit er nog steeds. Waarom? Hij wint er niets mee; geen voedsel, geen macht. Ik wil weten waarom hij het doet.
zijn schets is echt gedetailleerd. Bijna de hele wereld staat erop. Zelfs zijn eigen poppetje, inclusief de tekening waar hij aan werkt. Ik zoom nog wat verder in, en ontdek ook op de getekende tekening de wereld. Met kunstenaar. Met tafeltje.
Ik zoom in op de getekende tekening, maar zodra ik ook daar een kunstenaartje zie knijp ik mijn ogen dicht. In één klap zit ik weer buiten.

Ik wrijf het zonlicht weg. Die zon stond ook op de tekening. En op de tekening van de tekening van de tekening, en wie weet ook op de tekening daarvan. Waarom doet hij dat? Stom mens. Hij maakt me helemaal in de war.
Zuchtend sta ik op en ga iets anders doen, terwijl ergens achterin mijn hoofd het idee knaagt dat dit ook maar is getekend. Dat ergens een jonge god op me neerziet, en zich afvraagt waarom ik toch steeds in het gras lig en kijk.

Organisatie anti-Valentijn

Op een dag, een goeie dag, loop ik fluitend over de sportlaan. Ja, vandaag is goed. Vlindertjes, vogeltjes, zonnetjes, wolkjes en een hond die ligt te zonnen in iemands voortuin. Op deze dag ga ik eindelijk profiteren van mijn baantje als postbezorger. Ik verlaat mijn vaste route en loop naar het huis van mijn schatje, mijn duifje, mijn engeltje, mijn… enfin, mijn potentiële levenspartner.
Ik heb hier een brief, een rasechte liefdesbrief. Weg computer, weg standaardgedichtjes van internet. Ik heb een vel papier gepakt. En niet zomaar één; een mooi, wit, met hartjes omlijnd vel papier. Ik heb er met een echte Parkerpen op geschreven, die ik in een vergeten la terugvond. Ik heb helaas wel een vlekje gemaakt, maar met een beetje fantasie was dat een traan van geluk. Ja toch? Ik bedoel de tranen staan me nabij als ik denk aan haar, mijn vosje, mijn honneponnetje, mijn godinnetje, mijn… enfin, mijn aanstaande bruid.
Ik heb er, na het schrijven, wat aftershave op gedruppeld. Weet ze meteen hoe lekker ik ruik. En toen heb ik er wat gedroogde bloemetjes bij gedaan, en toen heb ik het in een kaart gestopt met zo’n muziekje erin. Geen Happy Birthday of Jingle Bells, maar My love, oh my love, oh my dearest dearest love, van een zoetsappige jammerband waarvan ik de naam vergeten ben. Die kaart heeft ook nog lichtgevende sterretjes. Als ze nu niet voor me valt, mijn popje, mijn liefje, mijn regenboogje, mijn prinsesje, mijn… enfin, mijn toekomstige huisvrouw, dan mag ik door een hond worden gebeten bij het bezorgen van de brief.
Op dat moment gloeien de oogjes van de hond rood op. Hij komt overeind, de tong uit de bek. Hij knarst en piept terwijl hij zich uitrekt en geeuwt. Dan ziet hij mij en er begint iets in zijn hoofd te bliepen. De oortjes draaien zoemend rond. Dan stormt hij op me af. Ik probeer weg te rennen maar hij heeft mijn broekspijp vast. Ik ontmoet de harde, kille straatstenen. Oh de vernedering, de pijn! Hij heeft de brief gevonden en begint hem roestig piepend en mechanisch grommend te verscheuren. Auw, m’n hart! M’n arme, arme hart!
Ik kijk naar de hond en hij kijkt terug. Zijn rode ogen flikkeren als fietsdynamo’s. Dan begint er een stem te spreken.
“Gegroet Romeo, Casanova, Don Juan of Don Quichot. Ik ben Cupideath3,11 van de organisatie Anti-Valentijn. Dit is uw laatste waarschuwing. Bij de volgende brief met als bestemming uw geliefde, wordt u door onze speciale eenheden verwijderd. Met vriendelijke groet: Uw ex, haar vriend, haar moeder en de rest van de gemeenschap.”
Klik.
De hond draait zich om, loopt houterig naar zijn gazonnetje en gaat liggen. Oogkleppen schuiven over zijn koplampjes en alles is stil.
Teleurstelling, oh de teleurstelling… Gebroken lig ik op de straatstenen in m’n nette pak. Het spijt me mijn kippetje, mijn moeder de vrouw, mijn honingkoekje, mijn… enfin, mijn verloren liefde.

Kun je in je droom nog zien? Meer dan je denkt

Regelmatig krijg ik de vraag: “Kun je in je dromen zien?”
Uiteraard verschilt dit van mens tot mens – iemand die altijd blind was droomt misschien anders dan ik, die tot mijn negentiende juist erg visueel was ingesteld. Sterker nog: Synesthetisch. Alles had kleur, zo ook letters, cijfers, geluid en muziek. Toen ik nog kon zien maakte ik gemakkelijk het onderscheid tussen de kleuren in mijn hoofd en de wereld. Ook in dromen hielden de beelden zich netjes aan de regels.
Dat is nu anders.
Sinds ik blind ben loopt alles door elkaar en heeft elk geluid, begrip, persoon en voorwerp overwegend de kleur uit mijn hoofd.

In mijn droom vannacht maakte ik de achtergrondmuziek bij het laatste hoofdstuk van Welkom in mijn ziel. Ik stond voor een donkergrijs schoolbord, de stilte, en tekende met gekleurde krijtjes, de instrumenten. Het werd best mooi, tot ik een vreemd kringeltje rook tekende dat een beetje klonk als een typisch jaren 70-deuntje.
“Hoe vind je dit?” vroeg ik één van de toeschouwers.
“Ik zou het niet doen,” zei hij. “Het contrasteert nogal met de rest van je muziek, die juist erg klassiek en filmisch klinkt.”
Ik keek en luisterde er nog eens naar, en kwam tot de conclusie dat hij gelijk had. Ik veegde het uit (control Z) en het bord was weer donkergrijs (stil).
Toen pakte ik een ander krijtje en tekende een vlammend vuur; volle, orchestrale achtergrondmuziek. Hoe harder en langer ik arceerde, des te voller werden de klanken, variërend van donkerrood tot heel lichtgeel. Ik stond zelf te kijken van mijn meesterwerk.

Dit is slechts één van de momenten waarop verbeelding en werkelijkheid door elkaar lopen, zoals ze in dromen vrijuit doen. Ik ben bijvoorbeeld ook weleens een kamer binnengestapt waar de muziek flakkerende, gouden lichten wierp op de muur, en mensen hebben tegenwoordig steevast de kleur trui aan van hun naam of stemgeluid.

Of we kunnen zien in dromen? Vraag het tien blinden en je krijgt tien antwoorden. Dit is het mijne.

My little phonie

Eenzaamheid in een trendy hoesje

Vol verwachting klopt haar hart. Daar is hij dan! Klein, plat, weinig knopjes en veel scherm… eindelijk! Haar nieuwe, dit keer goed werkende telefoon!
Of, smart phone. Telefoons of nog erger, GSM-metjes, daar doen we niet meer aan. Trouwens, dat verlepte ding ligt onderin de vuilniszak.
Yes! Nu heeft zij ook Babbling Brook, net als haar vrienden, klasgenoten, familie en de rest van de wereld! Ze vroeg zich al af waar de mailtjes en de Soulbookberichtjes waren gebleven. Hielden ze niet meer van haar?
Tuurlijk wel. Alleen had ze geen Babbling Brook.
Tevreden kruipt Merel op de bank en begint haar tele, eh, smart phone te verkennen. Het werkt prachtig! Intuïtief, lekker visueel. Algauw heeft ze haar applicatie gekocht en geïnstalleerd.
Wie zal ze het eerst een babje sturen? Na al die tijd? Denise dan maar? Roy gaat eigenlijk voor. Hoewel, mama en Alex zouden ook wel willen weten hoe het met haar is…
Eerst een Babble ID aanmaken. Roepnaam, voorletters, achternaam, e-mail, gebruikersnaam, wachtwoord…
“Attentie: Vul hier uw Babble ID en wachtwoord in.”
De velden zijn weer leeg. Ze begint opnieuw. Bij het ID aangekomen tikt ze Blackbird479, wachtwoord fony.
“Attentie: Uw wachtwoord moet minimaal uit acht tekens bestaan.”
De velden zijn weer leeg. Ze tikt alles opnieuw tot ze bij gebruikersnaam en wachtwoord is gekomen. Dan maar Phonie met PH en i e! Wacht, dat zijn er zes. Oké: Blackbird, dat zijn er al negen.
“Attentie; Uw wachtwoord moet minimaal één cijfer bevatten.”
Ze zucht en voert alles opnieuw in. Eén cijfer? Prima! Een één! Eén blackbird, en nou verder! Met enigszins zere duimen tikt ze haar derde wachtwoord in. Drie keer is scheepsrecht.
“Attentie: Uw wachtwoord moet minimaal één hoofdletter bevatten.”
Voor de vierde keer is alles leeg. Ze schudt haar handen en schrijft Blackbird1 met een hoofdletter. Ja? Is het klaar nu?
Een zucht van opluchting. Ze is in het volgende schermpje. Naam: Merel van Dongen. Telefoonnummer: Dat ze dat niet eens weten, ze gebruikt het nu!
Volgende schermpje. Adres, postcode en woonplaats. Ze zijn ook niet een beetje nieuwsgierig bij Babbling Brook.
Volgende schermpje. E-mailadres. Dat kan ze nog begrijpen. Voor als ze dat rare wachtwoord vergeet.
Mooi zo, nu kan ze…
Nog een schermpje. Synchronisatie met haar Longcall-account. Ze heeft niet eens een Longcall-account! Weg, nee dank je, verder!
Volgend schermpje. Ja wat nou weer! Synchronisatie met haar Soulbookaccount? Ze schudt haar handen nog eens, neemt een slok koffie en drukt op ‘niet nu’.
“Attentie: Eén of meerdere velden zijn niet correct ingevuld. Probeer het over zeven uur opnieuw.”
Ze is weer terug bij af.
Overal lege, witte velden. Stilte in plaats van vrienden en familie.
Eerst is er een brok in haar keel. Dan overspoelt een woedende golf haar verstand. Met een grom smijt ze haar gloednieuwe smart phone weg. Een galmend gestuiter, het breken van glas. Zij en het scherm, nu glanzend zwart, kijken elkaar aan.
Dan laat ze zich op de grond glijden en begint te huilen.

Mijn apparatuur is chagrijnig

Laatst was ik muziek aan het maken bij mijn huidige luisterfilm, toen ik dit gesprek voerde met het programma Audacity en mijn PCM-recorder, die momenteel fungeert als tweede geluidskaart. Dit vindt hij blijkbaar geen leuk baantje, want hij besluit er soms zomaar mee op te houden. Dan verbreekt hij boos de USB-verbinding en loopt weg.

Audacity: Baas, luidsprekers speaker control is ervandoor.
Ik: maakt niet uit. We sluiten hem gewoon weer aan en gaan verder.
Audacity: Oké. … Um… Ik zie hem niet hoor. Ik zie alleen luidspreker 4 ediroll UA 95..
Ik: dat is mijn andere geluidskaart. Die ene is eigenlijk een recorder. Ga maar even opslaan, dan praat ik wel even met luidsprekers speaker control.
Audacity: Oké. *gaat opslaan*
Ik: hé, recorder, waar ga je nou heen?
Recorder; Ik kap ermee.
Ik: Waarom?
Recorder: Ik ben geen geluidskaart. Ik ben een recorder!
Ik: De functie om een geluidskaart te worden zit er wel op, dus je doet het maar gewoon.
Recorder: je hebt al een externe geluidskaart, gebruik die lekker!
Ik: Zucht. Ik heb je drie jaar geleden al uitgelegd dat ik twee geluidskaarten nodig heb, één om die ontoegankelijke virtuele instrumenten op te nemen, en één om af te luisteren wat ik niet opgenomen wil hebben, plus nog een mixer om iedereen te kunnen monitoren. Ik weet het, het is een ingewikkeld verhaal, maar als je nu gewoon doet wat ik zeg…
Recorder: En dat doe ik dus niet. Zoek het uit. Hier heb je je USB-poort terug.
Ik: Ik ga niet weer mijn hele project tussentijds opslaan omdat jij een off-day hebt. *plugt recorder weer in*
Audacity: Ik zie hem nog steeds niet.
Recorder: Ik ben er toch echt, doe je ogen open man!
Audacity: je moet me opnieuw opstarten baas.
Ik: Alweer??
Recorder: ha ha, domme Audacity!
Audacity: Watch it hardware!
Recorder: Softy!
Ik: Jongens!!!
Iedereen: *valt stil*
Ik: ja? Heb ik jullie aandacht?
iedereen: *is nog steeds stil*
Ik: Mooi. Ik ga nu alles opnieuw opstarten, aansluiten, openen en opzoeken waar ik gebleven ben, en daarna ga ik een hapje eten. En als ik terug ben, doet iedereen normaal. Begrepen??

If white say goodnight

Vroeger, toen ik dom en onwetend was, hield ik van alles met een vacht: Honden, katten, cavia’s en knuffelbeesten. Ik was een beetje zoals die mensen die op straat een wildvreemde hond tegenkomen en er onmiddellijk op afvliegen, zonder toestemming van baas of hond, onder de woorden: “Koetsjiekoetsjiekoe!” Net als die mensen was ik van mening dat een vacht er uitsluitend was om te aaien, te kroelen en te knuffelen.
Uiteraard werd ik zoöloog, want dieren. En vacht. Stiekem hoopte ik weleens op een mooie, spirituele ontmoeting met een tijger of een jakhals, die net bijkwam van zijn verdovingspijltje.
Ik hield van alles met een vacht en dat mocht iedereen weten; met of zonder.

Ik hield ook van de kou. Dit bracht me uiteindelijk op een expeditie naar het hoge noorden, om te onderzoeken of de bepelsde bewoners zich konden aanpassen aan het veranderende klimaat.
Uiteraard had ik niet op zoveel kou gerekend. Bij kou dacht ik aan een gezellige kerst, een verkwikkende duik in het buitenbad en een behaaglijke herfst. Niet aan de haast verzengende kou die ons onwelkom heette toen we van boord gingen. Eerlijk gezegd schrok ik er een beetje van. Dit was een soort kou die ik nog nooit had meegemaakt en ik vreesde dat ik ondanks mijn voorzorgsmaatregelen mijn mening drastisch moest herzien.
“Pas op voor ijsberen,” had mijn man gezegd. “Ze zien elk ander dier als prooi, dus ook de mens.”
“Daar ben ik mij van bewust,” liet ik hem weten en ging verder mijn tas inpakken. Een beetje aan me gaan twijfelen zeg. Ik had toevallig veel ervaring met wilde dieren en ook met beren: If Brown lay down, if black fight back, if white say goodnight.
Trouwens, ze hadden een vacht. Dat maakte ze per definitie mooi.

Hoe dom kon ik zijn.

De eerste twee weken van de expeditie gingen voorbij in een heerlijke (misschien wat koude) roes. We bestudeerden het gedrag van kuddes rendieren, de vraatsporen van kleine knaagdieren en vingen zelfs een glimp op van de poolvos. Ik kon die dag niet meer werken van verliefdheid.
Toen kwam de dag waarop ik leerde niet langer dom en onwetend te zijn.

Ik liep om ons kamp heen met paaltjes en struikeldraad, omdat er volgens mijn collega’s al twee ijsberen waren gezien. Ze hadden gezegd dat ik een flinke omtrek moest maken. Ik had geen idee of ik genoeg draad bij me had; wist alleen dat de rol ontiegelijk zwaar was en dat ik echt niet in de buurt wilde zijn als ze het onder stroom zetten.
Zoals altijd kneep ik mijn ogen toe achter mijn sneeuwbril, lichtelijk verbaasd toen ik in de constant witte achtergrond iets zag bewegen.
Het was niet zozeer een ijsbeer, als wel de sneeuw zelf die een neus, een paar ogen en wat grote teennagels gekregen had. Ze kwamen op me af alsof ze de rest van hun lichaam vergeten waren.
Ik bedwong mijn eerste impuls – omdraaien en wegrennen – en zocht mijn geheugen af naar wat me nu te doen stond. Mijn hoofd was echter even blanco als de wereld om mij heen. Waar advies moest klinken was nu stilte, enkel nog het berenrijmpje dat ik in Amerika geleerd had.
If Brown lay down. If black fight back. If white say goodnight.
Ik fronste. Dit schoot niet op. Ik liet mijn draad en paaltjes vallen en ging er vooralsnog vandoor. Niet te langzaam, niet te snel. Laat hem weten dat je geen prooi bent en ook geen bedreiging vormt.
Ik denk dat ik op dat moment veel angst voelde, maar ook iets anders. Iets van verdriet. Ze hadden me verraden, dacht ik. De mooie dieren met hun mooie vacht en gratie en sierlijkheid… Ze hadden zich tegen me gekeerd.

Het moment daarop speelde zich zo langzaam af dat het nu net lijkt of het zich een paar keer heeft herhaald. Knerpende voeten, een snuif, een klap. Knerpende voeten, een snuif, een klap. Repeat.
Het knetterde. In mijn hoofd en voor mijn ogen. Er klonk een schreeuw als gehoord door een muur van watten. Ik kan je niet zeggen of ik in mijn schouder of mijn hoofd geraakt werd, daarvoor deed het teveel pijn, maar ik weet nog dat hij zich over me heen boog. Ik greep in zijn vacht in een lachwekkende poging me te verdedigen. De vacht voelde besneeuwd, ruw en klitterig. Nog een klap tegen mijn hoofd. De roestige smaak sijpelde mijn mond binnen. Er volgden vele klappen en een schaargebit dat gemaakt was om mij kapot te maken. Nog half levend lag ik aan zijn voeten terwijl gegrom en hete adem nauwelijks voelbaar waren van de pijn. Overal was bloed en kou en vacht.
“Goodnight,” dacht ik versuft. Heel langzaam voelde ik alles verdwijnen. De pijn, de herrie, de sneeuw in mijn gezicht en de vacht tussen mijn vingers.

Op dat moment hield ik op met dom en onwetend zijn.
In een volgend leven zou ik wijzer zijn. Ik zou vacht niet langer asociéren met aaibare lieve schattigheid. Immers hebben labradors en Rottweilers een even sterk gebit, en zijn de vachten van gorilla’s, poema’s en coala’s helemaal niet bedoeld om te strelen.
Voortaan zou ik ze met vrede laten, de dieren met een vacht, verenkleed of schubben. Ze zitten niet op de liefde van een mens te wachten.