De inspiratiebron

De inspiratiebron

Een fragment uit het boek Zielespinsels

Herinneringen.
Die waren het enige dat Takuri nog had in deze vreemde nieuwe tijd. Wat had de wereld zo drastisch veranderd? Hoe kwam hij hier, waar kwam hij vandaan?
Zelfs binnenin zijn ziel wist men het niet. Maar hij was deze wereld dankbaar. Alles was anders, maar er was volop leven om te verschalken.
Hij keek naar al dat leven, en hoorde de regen vallen.

De regen viel het eerst in nuchter Angelsaxië, waar iedereen het goed had en klaagde over het weer.
Zachtjes tikte hij tegen het raam. Een schrijver zat op zijn pen te kluiven. Zijn blik gleed van de blauwe lijnen in zijn schrift naar de berg propjes in en om de prullenbak. Hij zat hier al een uur. Kom op! Het was bijna Halloween, zijn specialiteit, en het was al een maand geleden dat ze hem vroegen.
Hij keek naar buiten. Overal grijstinten en een poging tot kleur. Geen wind, geen donder en bliksem. “Misschien toch maar wat series kijken voor een idee,” mompelde hij.
Nauwelijks waren hem die woorden ontsnapt of de deur ging krakend open. Een kille windvlaag deed zijn schrift wapperen. Dit leek er meer op. Hij begon ijverig mee te schrijven. De wind, de piepende deuren, een gebonk beneden. Voetstappen op de trap. Perfect!
Hij stopte.
Bij de deur stond een vreemdeling. Verbijsterd vergat hij dit te noteren. “Hallo?”
De man die onuitgenodigd zijn schrijfdomein betrad, was van onbestemde leeftijd, jong en oud tegelijk. Hij was rijk gekleed, had lang zwart haar en ogen in de kleur van een soort violet.
“Hoe kom je hier binnen?”
Hij glimlachte. “Vergeef me. Uw achterdeur stond open, en Ik zag u daar zo zitten kniezen alsof u wel wat hulp kon gebruiken.” Hij stak een smalle hand uit. “De mensen noemen mij Amatis, meester van de inspiratiebron.”
“Welke inspiratiebron?”
“Elke,” antwoordde de man. “Zal ik u hem laten zien?”
De schrijver aarzelde. Amatis, dat klonk verdacht als amateur.

Takuri spoorde hem zwijgend aan. Oh aarzel toch niet! Ga met hem mee, ga…

“Ik wil best wel even komen kijken, maar mijn moeder, ze weet niet…”
“Laat een briefje achter,” zei de bezoeker. “Voor u het weet bent u weer hier. De inspiratiebron is een zee van tijd.”
Schouderophalend schreef hij het briefje en volgde hem naar buiten. Met vreemde mannen meegaan was niets voor hem, maar een klein zakmes drukte sussend tegen zijn heup.

Ze liepen de straat uit, de stad uit, langs de snelweg. Ze zwegen. De schrijver voelde zich alsof hij van zijn huis werd losgescheurd. Hij keek meermalen achterom.
“Waar gaan we heen?” vroeg hij aan de man die hem voorging.
“Naar een unieke plek, waarvan slechts enkelen bestaan hier op aarde,” antwoordde Amatis. “U hebt vast weleens gehoord van de Zielmeester.”
“Soort van. Ik weet dat hij mensen laat verdwijnen.”
“Hij neemt hen tot zich,” verbeterde Amatis. “Zo komen ze in zijn ziel terecht. Wij zien een doodgewone man, maar vanbinnen is hij een hele wereld.”
Hij knikte. De stomme TV-programma’s met hun special effects logen er niet om; mensen werden gillend en smekend door zijn borstkas gesleurd of verdwenen in zijn mond. Smakeloos.
”Hij is echter niet alleen daar waar zijn lichaam is,” vervolgde de man. “Op enkele plaatsen loop je ongemerkt zijn ziel binnen. Waar en wanneer weet je pas als het te laat is en je niet meer terug kunt.”
“En jij wilt naar zo’n plek?”
“Inderdaad.”
De schrijver knikte. Hij vond het allemaal onzin, al was het idee op zich best bruikbaar.
Het bos dat zij betraden was zo donker dat het dag noch nacht leek, en eer ze het verlieten was de omgeving bepaald niet Angelsaxisch meer. Voor hen verhief zich een rode rotswand, hier en daar begroeid met mossen. Er ging een zekere warmte vanuit. Alsof er iemand voor hem stond. Hij moest zich bedwingen niet terug te deinzen. Dat knagende gevoel was wel inspirerend genoeg zo.
Amatis liep naar de rots en legde zijn hand ertegen. Een steen kwam los uit het gebergte en schoof opzij alsof het piepschuim was. De doorgang erachter was verrassend zwart.
“Wilt u mij volgen?”
“Eigenlijk niet,” dacht de jonge schrijver terwijl hij gehoorzaamde. Zijn ogen protesteerden tegen het zwarte gordijn. De vochtige atmosfeer werd hoe langer hoe zwaarder. Er ritselde niets. Hij voelde zijn bloed suisen en zijn hart bonzen.
Amatis’ stem deed hem opschrikken.
“Ziehier, de inspiratiebron.”

De zeshoekige zaal werd meer verlicht door de stomende bron zelf, dan door de fakkels aan de muren. Hij voelde de klamme warmte en rook de geur die, in tegenstelling tot die van andere warme bronnen, heel zoet was.
Er klonken stemmen in de verte en even later stapten drie mannen de zaal binnen, geanimeerd pratend in een taal die hij niet herkende.
“Mensen van over de hele wereld bezoeken deze bron op zoek naar inspiratie,” vertelde Amatis. De drie mannen stapten zonder aarzelen het water in en gingen kopje onder. Langzaam werd het stil. Het oppervlak kwam tot rust.
“Waar blijven ze?”
“Ik laat het u zien, mijn beste schrijver. Volg me en doe precies wat ik doe.” Hij liep naar de rand en stapte in de bron, goed gekleed en wel. Verbijsterd volgde de auteur zijn voorbeeld, na te hebben gecontroleerd of zijn zakmes nog present was. De temperatuur was precies goed. Eerst wat aan de warme kant, maar toen zo rustgevend als een ligbad. Hij ontspande zich.
Plotseling zoog een sterke stroming hem omlaag. Hij hapte naar adem maar was te laat en kreeg zijn longen vol water. Hij hoestte, bedwong zich en hield zijn adem in. Nu al begon zijn hoofd te bonzen. Nu al tintelde zijn lijf. Hij sperde zijn ogen open en zag Amatis in een gouden gloed, zijn haren zacht wuivend onder water. Amatis keek hem recht aan en grijnsde.
De afdaling was een verschrikking. Om de zoveel seconden begon hij te stuipen en te trekken, telkens verslapte hij weer, waarna alles opnieuw begon. Juist toen hij wenste dat hij dood was, voelde hij zichzelf zwakjes ademen. Alsof hij nu door dichte nevel ging in plaats van water. Amatis zag er onmenselijk uit in het vurige licht.
Ze zweefden omlaag, alsof ze nog steeds zonken, en toen raakten zijn voeten grond. Dadelijk zakte hij door zijn knikkende knieën. Hij hijgde. Het zware gevoel was sterker dan ooit. Als hij science fiction schreef, zou hij dit omschrijven als “een extra g-tje zwaartekracht”.
Ze bevonden zich in een hal waar vele tunnels op uitkwamen. Mensen liepen in en uit. Achter stenen deuren klonk geschreeuw en waanzinnig gelach, houweelslagen en muziek. De drie mannen gingen een gang binnen en werden opgeslokt door duisternis.
“Je bevindt je nu in de Inspiratiebron. Hier vind je alles wat je nodig hebt voor een goed Halloweenverhaal. Volg me.”
Het viel hem op dat Amatis was gaan tutoyeren, maar om eerlijk te zijn had hij wel wat anders aan zijn hoofd.

Takuri bleef staan. De zoete smaak van leven was op zijn tong. Vier bekenden, één nieuweling. Hij deed even zijn ogen dicht en huiverde. Hoe moest dat met de hele wereld, als deze ene kunstenaar zo heerlijk was?

In korte tijd zag de schrijver meer dan hij ooit had geschreven, gelezen of zelfs maar gedroomd: Een grauwe broeierige hemel, als een dak op instorten. Tempels gebouwd rond donkere poelen. Een hangbrug door een spelonk vol vuur. Een demonische kop die hem aanstaarde als de kaft van een slecht horrorboek.
`Een mooie attractie,` dacht hij verdwaasd. “De techniek gaat hard.”
Amatis keek niet eens om zich heen. Hij liep voor hem uit alsof hij dit elke dag deed. Tenslotte bleef hij voor een dichte deur staan, legde zijn hand erop, mompelde iets en stapte opzij. De deur ging open.
Dit leek weer een beetje op de werkelijkheid: zachte banken, tafels en stoelen, kasten vol schrijfgerei en in het midden een open ruimte. Amatis stapte die ruimte op en draaide zich om.
“Luister goed. Jouw belangrijkste eigenschappen zijn deze:
Inlevingsvermogen, in situaties en gevoelens die niet van jou zijn,
en natuurlijk de schrijfkunst: het vermogen de lezers daarin mee te slepen.
Aan die twee eigenschappen gaan wij werken. Je schrijft voor Halloween?”
“Ja. De jongens vroegen om iets lekker bloederigs.”
“Zoals wat?”
“Nou eh, veel detail. Alsof ze de pijn van het slachtoffer kunnen voelen.”
Amatis’ ogen fonkelden. “Dan moet uiteraard eerst de schrijver het voelen.”
Een lichtflits, een mes, in Amatis’ hand. Instinctief greep de jonge schrijver naar zijn eigen mes maar de lucht zelf hield zijn hand stil. Een zacht gegrom weergalmde om hem heen. Geschrokken keek hij rond.
“Inlevingsvermogen, jij schrijver! Je grootste kracht! Voel je verhaal!”
Het mes schoot naar voren. Zijn adem stokte. Kilte, onmiddellijk gevolgd door verlammende pijn. Al zijn spieren verkrampten. Zijn ogen draaiden weg. Het mes vlak onder zijn navel hield hem overeind.
“Mag dit in je verhaal?” Amatis greep het heft steviger vast en langzaam, tergend langzaam schoof het mes in hem naar boven, alles op zijn pad verwoestend. De pijn werd verstikking. Lichaamssappen drongen door waar zij niet hoorden. Zijn ene long weigerde dienst. Amatis draaide het mes een kwartslag en bracht het puntje bij zijn rug naar buiten, iets wat hij niet langer voelde. Hij verloor zijn mens, toen zijn dier, toen zijn bestaan. Hij was pijn.
Het volgende moment klemde zijn hand zich om een zachte keel terwijl de andere zijn zakmes trok. Hij hoorde schreeuwen, herkende toen zijn eigen stem en langzaam werden het woorden.
“Wat wou je nou doen hè? Bedrieger! Huichelaar!”
Zijn gastheer prevelde zacht, “Goed zo, vermoord me maar. Dat mag natuurlijk allemaal in je verhaal.”
Het mes viel op de grond. Hij hijgde. Geen bloed, geen pijn.
“Wat was dat?”
Zijn gids kwam overeind. “Inlevingsvermogen. Je moet goed weten hoe iets is om het door te kunnen geven aan je lezers. Maar wacht, er is meer dat je moet weten.”
Hij sloot zijn ogen opnieuw, zette zijn handen tegen elkaar en mompelde als in gebed. Er klonk een luide ‘whoosh!’ en de schrijver stond in een ring van vuur.
Het was geen hitte meer. Het was pijn waarvoor geen uitroep bestond. Als hij niet schreeuwde, kuchte of kreunde hij. Het mes was niets. Dit waren er miljoenen. Hij moest dood. Nu.
Toen het vuur verdween en hij voorover viel, was hij niet gewond. Hij was in shock.
Amatis trok hem aan zijn haren overeind. “Het leven van een auteur is zwaar jongen.” Zijn grijns werd een bloeddorstige grauw. “Je wilt inspiratie? Alsjeblieft! En ik heb nog veel meer voor je!”

Hij schrok op. Verward keek hij rond maar zag niets. Echt niets. Zwart boven hem, zwart onder hem. Doodse stilte, geen grond en geen muren. Niets.
“Hallo? Hallo? Hallo? Hallo?” zijn echo’s werden oorverdovend, stopten toen abrupt. Hij wachtte.
Niets.
Langzaam kroop de wanhoop in hem omhoog, beginnend bij wat zijn voeten moesten zijn. Zodra het zijn borstkas bereikte, begaf zijn verstand het en sloeg hij verwilderd om zich heen. De galm van zijn kreten beet in zijn trommelvliezen. Zijn oren piepten. Zijn wangen waren kletsnat. Wie was hij? En wie was het die zijn tranen droogde? Hij zat overal, levend, aanwezig, hem neervleiend…
Toen was Amatis daar, alsof er geen tijd verstreken was.
“Zo. Zijn die drie dingen voldoende om er een leuk verhaal van te maken?”

Eén ogenblik stond de schrijver doodstil.
Toen begon het. Elk deel van zijn lijf gloeide en bruiste. Zijn kruintje en vingertoppen tintelden, zijn hart sloeg fel en krachtig. Een vreemde energie doorstroomde zijn aderen. Hij raakte bedwelmd.
“Ik leef,” schoot het door hem heen. “Ik heb het!”
Hij greep Amatis bij de schouders en staarde hem aan, zijn ogen wijdopen, zwaar ademend van ditmaal extase. “Geef me de pen, vlug!”
De man glimlachte en bracht hem naar zijn schrijftafel. Een bloknoot en een rode, roestig ruikende inkt wachtten hem op. Met handen die trilden van ongeduld vulde hij zijn pen ermee. Vliegensvlug bewoog zijn hand over het papier en de schrijver verdronk in zijn eigen verhaal.

Elk familielid huiverde op het feest van Halloween. Hun afschuw was groter dan ze prettig vonden op zo’n feestje. Kleine kinderen huilden. Verscheidene mensen lieten hun hapjes staan, en de auteur zelf zag er afgepeigerd uit.
Maar toen hij twee weken later aan zijn nieuwe opdracht begon, knauwde hij opnieuw op zijn pen. Hij dacht aan Amatis. Hij dacht in feite aan niets anders.
“Ik moet ernaar terug.”
Inwendig huiverde hij, zijn afschuw even groot als zijn verlangen, en hij herinnerde zich vaag hoe hij naar buiten stapte, het zonlicht in. Intens opgelucht, alsof hij uit de maag van een monster was gered.
Waar zou die bron ergens zitten? Niet in Angelsaxië, dat wist hij zeker. Het leek zo vlakbij. Amatis had iets gezegd over de wereld en de Zielmeester…
Een verkwikkend briesje opende de deur. De vreemdeling stond daar.
Hij sprong op. “Jij! Hoe kom je hier?”
“Meneer, uw moeder is de heg aan het snoeien en heeft de voordeur laten openstaan…”
“Die smoesjes geloof ik niet!” Hij ging weer zitten. “Wat kom je doen?”
“Ik kom je teleurstellen.” Amatis boog lichtjes. “Je verlangt naar meer inspiratie, en die kan ik je niet langer geven.”
“Wat? Waarom niet?”
“De bron wordt slechts eenmaal geopend voor talenten zoals jij. Je zult het voortaan zonder moeten doen.”
Het laatste restje kleur verdween uit zijn gezicht en visie. “Nee,” zei hij schor. “Er moet een manier zijn, dat moet!”
“Misschien.” Amatis keek bedachtzaam. “Er is één mogelijkheid, maar dan moet je er wel wat voor doen.”
“Wat?”
“Als je hem ditmaal betreedt, kom je er niet meer uit. Je zult de bron voeden. Hem erkennen als je meester.”
Hij fronste. “Een leermeester?”
“De Zielmeester,” zei Amatis scherp. “De inspiratiebron heeft je geproefd. Nu wil hij je terug.”
“Ik doe het!”
“Ik doe het, ik doe het,” galmden zijn woorden, zoals in die levende duisternis. Amatis stapte op hem af. Koele lippen tegen zijn gloeiende voorhoofd. Hij nam hem bij de hand.
“Goeie keus, schrijver. U bent een zeer verstandig man..”

Mensjes kijken – een verhaal over perspectief

Andere goden moeten vaak lachen als ze me weer eens in het gras zien liggen kijken naar de wereld. Dan zeggen ze dingen als: “Ah, to be young!” Of: “Ik wou dat ik zoveel tijd had om te relaxen.”
Blijkbaar vinden ze het saai. Toegegeven, bepaalde diersorten vallen in herhaling. De mens bijvoorbeeld. Bouwen, breken. Bouwen, breken. Wat vinden ze daar nou aan?
Toch vind ik het leuk om te kijken. Wie zal er vandaag de hoogste toren bouwen? Wie zal er vandaag beginnen over welke god de beste is? Ik hoop nog steeds dat ze mij een keertje kiezen. Of ons allemaal.

Gefascineerd staar ik naar het uitvinden, het doodgaan en het feestvieren. Dan valt mijn oog op een mens die steeds op dezelfde plek blijft. Ik zoom in, steeds verder in, en zie hem aan een tafeltje zitten. Op de tafel ligt een papier en op dat papier tekent hij de wereld. Op die wereld wordt uitgevonden, gedood en feest gevierd. Het is een aardige schets van de werkelijkheid. Ik blijf een tijdje kijken en zoom dan weer uit. Het wordt algauw saai. Gauw check ik de laatste oorlog om geen aflevering te missen.

Na een tijd kijk ik opnieuw naar het persoontje aan de tafel. Hij zit er nog steeds. Waarom? Hij wint er niets mee; geen voedsel, geen macht. Ik wil weten waarom hij het doet.
zijn schets is echt gedetailleerd. Bijna de hele wereld staat erop. Zelfs zijn eigen poppetje, inclusief de tekening waar hij aan werkt. Ik zoom nog wat verder in, en ontdek ook op de getekende tekening de wereld. Met kunstenaar. Met tafeltje.
Ik zoom in op de getekende tekening, maar zodra ik ook daar een kunstenaartje zie knijp ik mijn ogen dicht. In één klap zit ik weer buiten.

Ik wrijf het zonlicht weg. Die zon stond ook op de tekening. En op de tekening van de tekening van de tekening, en wie weet ook op de tekening daarvan. Waarom doet hij dat? Stom mens. Hij maakt me helemaal in de war.
Zuchtend sta ik op en ga iets anders doen, terwijl ergens achterin mijn hoofd het idee knaagt dat dit ook maar is getekend. Dat ergens een jonge god op me neerziet, en zich afvraagt waarom ik toch steeds in het gras lig en kijk.

Organisatie anti-Valentijn

Op een dag, een goeie dag, loop ik fluitend over de sportlaan. Ja, vandaag is goed. Vlindertjes, vogeltjes, zonnetjes, wolkjes en een hond die ligt te zonnen in iemands voortuin. Op deze dag ga ik eindelijk profiteren van mijn baantje als postbezorger. Ik verlaat mijn vaste route en loop naar het huis van mijn schatje, mijn duifje, mijn engeltje, mijn… enfin, mijn potentiële levenspartner.
Ik heb hier een brief, een rasechte liefdesbrief. Weg computer, weg standaardgedichtjes van internet. Ik heb een vel papier gepakt. En niet zomaar één; een mooi, wit, met hartjes omlijnd vel papier. Ik heb er met een echte Parkerpen op geschreven, die ik in een vergeten la terugvond. Ik heb helaas wel een vlekje gemaakt, maar met een beetje fantasie was dat een traan van geluk. Ja toch? Ik bedoel de tranen staan me nabij als ik denk aan haar, mijn vosje, mijn honneponnetje, mijn godinnetje, mijn… enfin, mijn aanstaande bruid.
Ik heb er, na het schrijven, wat aftershave op gedruppeld. Weet ze meteen hoe lekker ik ruik. En toen heb ik er wat gedroogde bloemetjes bij gedaan, en toen heb ik het in een kaart gestopt met zo’n muziekje erin. Geen Happy Birthday of Jingle Bells, maar My love, oh my love, oh my dearest dearest love, van een zoetsappige jammerband waarvan ik de naam vergeten ben. Die kaart heeft ook nog lichtgevende sterretjes. Als ze nu niet voor me valt, mijn popje, mijn liefje, mijn regenboogje, mijn prinsesje, mijn… enfin, mijn toekomstige huisvrouw, dan mag ik door een hond worden gebeten bij het bezorgen van de brief.
Op dat moment gloeien de oogjes van de hond rood op. Hij komt overeind, de tong uit de bek. Hij knarst en piept terwijl hij zich uitrekt en geeuwt. Dan ziet hij mij en er begint iets in zijn hoofd te bliepen. De oortjes draaien zoemend rond. Dan stormt hij op me af. Ik probeer weg te rennen maar hij heeft mijn broekspijp vast. Ik ontmoet de harde, kille straatstenen. Oh de vernedering, de pijn! Hij heeft de brief gevonden en begint hem roestig piepend en mechanisch grommend te verscheuren. Auw, m’n hart! M’n arme, arme hart!
Ik kijk naar de hond en hij kijkt terug. Zijn rode ogen flikkeren als fietsdynamo’s. Dan begint er een stem te spreken.
“Gegroet Romeo, Casanova, Don Juan of Don Quichot. Ik ben Cupideath3,11 van de organisatie Anti-Valentijn. Dit is uw laatste waarschuwing. Bij de volgende brief met als bestemming uw geliefde, wordt u door onze speciale eenheden verwijderd. Met vriendelijke groet: Uw ex, haar vriend, haar moeder en de rest van de gemeenschap.”
Klik.
De hond draait zich om, loopt houterig naar zijn gazonnetje en gaat liggen. Oogkleppen schuiven over zijn koplampjes en alles is stil.
Teleurstelling, oh de teleurstelling… Gebroken lig ik op de straatstenen in m’n nette pak. Het spijt me mijn kippetje, mijn moeder de vrouw, mijn honingkoekje, mijn… enfin, mijn verloren liefde.

My little phonie

Eenzaamheid in een trendy hoesje

Vol verwachting klopt haar hart. Daar is hij dan! Klein, plat, weinig knopjes en veel scherm… eindelijk! Haar nieuwe, dit keer goed werkende telefoon!
Of, smart phone. Telefoons of nog erger, GSM-metjes, daar doen we niet meer aan. Trouwens, dat verlepte ding ligt onderin de vuilniszak.
Yes! Nu heeft zij ook Babbling Brook, net als haar vrienden, klasgenoten, familie en de rest van de wereld! Ze vroeg zich al af waar de mailtjes en de Soulbookberichtjes waren gebleven. Hielden ze niet meer van haar?
Tuurlijk wel. Alleen had ze geen Babbling Brook.
Tevreden kruipt Merel op de bank en begint haar tele, eh, smart phone te verkennen. Het werkt prachtig! Intuïtief, lekker visueel. Algauw heeft ze haar applicatie gekocht en geïnstalleerd.
Wie zal ze het eerst een babje sturen? Na al die tijd? Denise dan maar? Roy gaat eigenlijk voor. Hoewel, mama en Alex zouden ook wel willen weten hoe het met haar is…
Eerst een Babble ID aanmaken. Roepnaam, voorletters, achternaam, e-mail, gebruikersnaam, wachtwoord…
“Attentie: Vul hier uw Babble ID en wachtwoord in.”
De velden zijn weer leeg. Ze begint opnieuw. Bij het ID aangekomen tikt ze Blackbird479, wachtwoord fony.
“Attentie: Uw wachtwoord moet minimaal uit acht tekens bestaan.”
De velden zijn weer leeg. Ze tikt alles opnieuw tot ze bij gebruikersnaam en wachtwoord is gekomen. Dan maar Phonie met PH en i e! Wacht, dat zijn er zes. Oké: Blackbird, dat zijn er al negen.
“Attentie; Uw wachtwoord moet minimaal één cijfer bevatten.”
Ze zucht en voert alles opnieuw in. Eén cijfer? Prima! Een één! Eén blackbird, en nou verder! Met enigszins zere duimen tikt ze haar derde wachtwoord in. Drie keer is scheepsrecht.
“Attentie: Uw wachtwoord moet minimaal één hoofdletter bevatten.”
Voor de vierde keer is alles leeg. Ze schudt haar handen en schrijft Blackbird1 met een hoofdletter. Ja? Is het klaar nu?
Een zucht van opluchting. Ze is in het volgende schermpje. Naam: Merel van Dongen. Telefoonnummer: Dat ze dat niet eens weten, ze gebruikt het nu!
Volgende schermpje. Adres, postcode en woonplaats. Ze zijn ook niet een beetje nieuwsgierig bij Babbling Brook.
Volgende schermpje. E-mailadres. Dat kan ze nog begrijpen. Voor als ze dat rare wachtwoord vergeet.
Mooi zo, nu kan ze…
Nog een schermpje. Synchronisatie met haar Longcall-account. Ze heeft niet eens een Longcall-account! Weg, nee dank je, verder!
Volgend schermpje. Ja wat nou weer! Synchronisatie met haar Soulbookaccount? Ze schudt haar handen nog eens, neemt een slok koffie en drukt op ‘niet nu’.
“Attentie: Eén of meerdere velden zijn niet correct ingevuld. Probeer het over zeven uur opnieuw.”
Ze is weer terug bij af.
Overal lege, witte velden. Stilte in plaats van vrienden en familie.
Eerst is er een brok in haar keel. Dan overspoelt een woedende golf haar verstand. Met een grom smijt ze haar gloednieuwe smart phone weg. Een galmend gestuiter, het breken van glas. Zij en het scherm, nu glanzend zwart, kijken elkaar aan.
Dan laat ze zich op de grond glijden en begint te huilen.

If white say goodnight

Vroeger, toen ik dom en onwetend was, hield ik van alles met een vacht: Honden, katten, cavia’s en knuffelbeesten. Ik was een beetje zoals die mensen die op straat een wildvreemde hond tegenkomen en er onmiddellijk op afvliegen, zonder toestemming van baas of hond, onder de woorden: “Koetsjiekoetsjiekoe!” Net als die mensen was ik van mening dat een vacht er uitsluitend was om te aaien, te kroelen en te knuffelen.
Uiteraard werd ik zoöloog, want dieren. En vacht. Stiekem hoopte ik weleens op een mooie, spirituele ontmoeting met een tijger of een jakhals, die net bijkwam van zijn verdovingspijltje.
Ik hield van alles met een vacht en dat mocht iedereen weten; met of zonder.

Ik hield ook van de kou. Dit bracht me uiteindelijk op een expeditie naar het hoge noorden, om te onderzoeken of de bepelsde bewoners zich konden aanpassen aan het veranderende klimaat.
Uiteraard had ik niet op zoveel kou gerekend. Bij kou dacht ik aan een gezellige kerst, een verkwikkende duik in het buitenbad en een behaaglijke herfst. Niet aan de haast verzengende kou die ons onwelkom heette toen we van boord gingen. Eerlijk gezegd schrok ik er een beetje van. Dit was een soort kou die ik nog nooit had meegemaakt en ik vreesde dat ik ondanks mijn voorzorgsmaatregelen mijn mening drastisch moest herzien.
“Pas op voor ijsberen,” had mijn man gezegd. “Ze zien elk ander dier als prooi, dus ook de mens.”
“Daar ben ik mij van bewust,” liet ik hem weten en ging verder mijn tas inpakken. Een beetje aan me gaan twijfelen zeg. Ik had toevallig veel ervaring met wilde dieren en ook met beren: If Brown lay down, if black fight back, if white say goodnight.
Trouwens, ze hadden een vacht. Dat maakte ze per definitie mooi.

Hoe dom kon ik zijn.

De eerste twee weken van de expeditie gingen voorbij in een heerlijke (misschien wat koude) roes. We bestudeerden het gedrag van kuddes rendieren, de vraatsporen van kleine knaagdieren en vingen zelfs een glimp op van de poolvos. Ik kon die dag niet meer werken van verliefdheid.
Toen kwam de dag waarop ik leerde niet langer dom en onwetend te zijn.

Ik liep om ons kamp heen met paaltjes en struikeldraad, omdat er volgens mijn collega’s al twee ijsberen waren gezien. Ze hadden gezegd dat ik een flinke omtrek moest maken. Ik had geen idee of ik genoeg draad bij me had; wist alleen dat de rol ontiegelijk zwaar was en dat ik echt niet in de buurt wilde zijn als ze het onder stroom zetten.
Zoals altijd kneep ik mijn ogen toe achter mijn sneeuwbril, lichtelijk verbaasd toen ik in de constant witte achtergrond iets zag bewegen.
Het was niet zozeer een ijsbeer, als wel de sneeuw zelf die een neus, een paar ogen en wat grote teennagels gekregen had. Ze kwamen op me af alsof ze de rest van hun lichaam vergeten waren.
Ik bedwong mijn eerste impuls – omdraaien en wegrennen – en zocht mijn geheugen af naar wat me nu te doen stond. Mijn hoofd was echter even blanco als de wereld om mij heen. Waar advies moest klinken was nu stilte, enkel nog het berenrijmpje dat ik in Amerika geleerd had.
If Brown lay down. If black fight back. If white say goodnight.
Ik fronste. Dit schoot niet op. Ik liet mijn draad en paaltjes vallen en ging er vooralsnog vandoor. Niet te langzaam, niet te snel. Laat hem weten dat je geen prooi bent en ook geen bedreiging vormt.
Ik denk dat ik op dat moment veel angst voelde, maar ook iets anders. Iets van verdriet. Ze hadden me verraden, dacht ik. De mooie dieren met hun mooie vacht en gratie en sierlijkheid… Ze hadden zich tegen me gekeerd.

Het moment daarop speelde zich zo langzaam af dat het nu net lijkt of het zich een paar keer heeft herhaald. Knerpende voeten, een snuif, een klap. Knerpende voeten, een snuif, een klap. Repeat.
Het knetterde. In mijn hoofd en voor mijn ogen. Er klonk een schreeuw als gehoord door een muur van watten. Ik kan je niet zeggen of ik in mijn schouder of mijn hoofd geraakt werd, daarvoor deed het teveel pijn, maar ik weet nog dat hij zich over me heen boog. Ik greep in zijn vacht in een lachwekkende poging me te verdedigen. De vacht voelde besneeuwd, ruw en klitterig. Nog een klap tegen mijn hoofd. De roestige smaak sijpelde mijn mond binnen. Er volgden vele klappen en een schaargebit dat gemaakt was om mij kapot te maken. Nog half levend lag ik aan zijn voeten terwijl gegrom en hete adem nauwelijks voelbaar waren van de pijn. Overal was bloed en kou en vacht.
“Goodnight,” dacht ik versuft. Heel langzaam voelde ik alles verdwijnen. De pijn, de herrie, de sneeuw in mijn gezicht en de vacht tussen mijn vingers.

Op dat moment hield ik op met dom en onwetend zijn.
In een volgend leven zou ik wijzer zijn. Ik zou vacht niet langer asociéren met aaibare lieve schattigheid. Immers hebben labradors en Rottweilers een even sterk gebit, en zijn de vachten van gorilla’s, poema’s en coala’s helemaal niet bedoeld om te strelen.
Voortaan zou ik ze met vrede laten, de dieren met een vacht, verenkleed of schubben. Ze zitten niet op de liefde van een mens te wachten.

Puntjes vs. geluid

Gisteren is mijn gloednieuwe brailleleesregel gearriveerd; de Handy Tech Easy Braille. Een juweel van een ding! Hij kan dit, hij kan dat, hij kan…
O wacht.
Elke brailleleesregel kan dat.
Ja oké, maar ik kreeg mijn laatste brailleleesregel zeventien jaar geleden! En ik kon toen nog zien, dus ik weet echt niet meer hoe dat allemaal zit hoor met puntjes en cellen en invoer en duimtoetsen enzo.
Wat deed je dan in de tussentijd?
Zeg geweten, hou eens op. Ik vertel dit verhaal. Je weet trouwens best dat ik nog genoeg kon zien voor hele grote letters, en toen ik eenmaal blind werd ging ik over op spraak. Dat werkte veel sneller, en ik had nog een hoop te doen, dus effe niet. Zo, nou jij weer.

Dat dacht ik ook, met je puntjes. Waar was ik… Oh ja!
De brailleleesregel is geweldig! Toen ik vorige week twee notitieapparaten mocht bekijken, namelijk de Voice Sense en de Braille Sense van Hims, viel het me op dat ik verliefd werd op de Braille Sense. Hij was zo schattig, en het toetsenbord was zo fijn, en die braillecellen had ik al zo lang niet meer gezien. Toen ik even later met de Voice Sense aan het spelen was, zochten mijn handen vergeefs naar een brailleleesregel die daar niet was..
Huh?
Sinds wanneer heb ik de behoefte aan een brailleleesregel?
Sinds wanneer wil ik letters in plaats van altijd maar te luisteren?
Sinds wanneer wil ik mijn tekst corrigeren en mijn I-phone bedienen met een brailleleesregel?
Blijkbaar sinds vandaag.
En nu is het een week later, is mijn brailleleesregel geleverd en heb ik een heel artikel zitten lezen! Heerlijk! Natuurlijk gaat het veel langzamer dan spraak; ik leerde pas braille op mijn veertiende en zat pas rond mijn zestiende op AVI 9, maar de lage snelheid mag de pret niet drukken.
Want spraak is prima hoorbaar, maar letters spreken meer. En touch screens zijn heel leuk maar knopjes nog veel leuker, jeeeey knopjes!!

Noot: Waarschijnlijk zet ik alsnog de halve dag mijn spraak aan, want dat werkt sneller, maar nu is er de keuze tussen puntjes en geluid. Van mij hoeft er niet één te winnen, ze zijn allebei lief.

De taal der dieren

“Ik ben naar boven ma!”
“Oké! Kom je zo wel terug? De hond moet nog uit.”
“Ja ja!” Voeten in slippers komen haastig naderbij. De deur gaat open en Radna laat zich op haar bed vallen terwijl ze heel diep uitblaast. Zwart haar valt over het kussen. Zwarte ogen vallen dicht terwijl de zucht eindigt in stilte, oh de heerlijke stilte…
Even geen Rhyno die achter iedereen aantrippelt en met zijn monotone robotstem om aandacht bedelt. “Bal. Koekje. Spoor. Buiten. Aai. Alpha.”
Alpha betekent in zijn taal ‘ik hou van je en zou je graag even aanbidden en schoonlikken als je tijd hebt’. Die betekenis leerde Radna heel snel, want soms loopt hij haar dagen achterna terwijl hij het woordje alpha herhaalt als een mantra. En hij houdt pas op als hij haar heeft aanbeden en gelikt.
Nu hoort ze enkel het gerommel in de keuken, het chirpen van de mussen en het geruis van verkeer in de verte. Geen getrippel. Geen robotstem.
“Was hij maar een robot,” denkt ze slaperig. “Dan had hij een uitknopje.”

Al sinds ze zich kon heugen wenste Radna dat de dieren konden praten. Wat een gesprekken zou ze met hen voeren. Grote mensen roddelden en slijmden. Dieren waren zichzelf. Zij deden niet aan leugens en kritiek. Zij zeiden vast hele lieve dingen.
En dus sprak ze tegen de dieren, soms uren achtereen, en dit moet haar ouders zijn opgevallen want jaren later werden zij de eersten in Nederland die hun hond lieten chippen.
Plotseling kreeg hun plattelandsdorpje de bekendheid van Amsterdam. Stel je voor: De eerste hond ter wereld die kon praten als een mens. Revolutionair! Wat zou hij hen vertellen? Wat zou hij de mensheid leren? Radna danste door het huis en hield spreekbeurten op school, nog voor Rhyno goed en wel terug was uit het lab.@
“De chip wordt geïmplanteerd in het taalcentrum van de hersenen. Hij zet alle geluiden en lichaamstaal om in woorden. Een halsband met een ontvangertje geeft deze woorden weer met een spraaksynthesizer. Is het niet geweldig?”
Hoe geweldig het was kon ze toen nog niet vermoeden, maar wat een heerlijke tijd van gespannen verwachting. Papa en mama waren opgetogen en de media niet weg te branden.
Toen kwam de dag waarop Rhyno het lab mocht verlaten. Nog een beetje versuft stapte hij het zonlicht in, en keek haar aan. De luidspreker op zijn halsband kraakte.
“Alpha.”
Zijn eerste woord, de eerste regendruppel van een jarenlange wolkbreuk.

Kreunend draait Radna zich om als ze de deur hoort opengaan. Laat me toch slapen.
“Kom zo,” wil ze zeggen, maar er komt geen geluid. Toch is ze wakker, want ze kan de deur goed zien, en een roodoranje snuit die zich ertussen wringt.
“Alpha?”
De snuit duwt de deur opzij, waarna een grote kop met staande oren volgt. Ze noemden hem Rhyno omdat hij veel te groot is voor een hond. Langzaam loopt hij de kamer binnen. Ze wil zuchtend overeind komen, maar haar lichaam reageert niet.
“Slaapverlamming, Radna?”
Ze verstijft. Overal heeft ze kippevel. Dat woord staat niet in de database!
“Mijn alpha. Mijn lieve alpha.” Rhyno buigt zich over de futon en likt haar wang. “Jij wordt een beetje moe van me, nietwaar?”
Dat waren twee volledige zinnen, beseft ze met een schok, en de stem klinkt niet langer monotoon. Ze wil antwoorden, zich bewegen. Er gebeurt niets.
“Jij hoopte dat ik zou praten als een mens,” vervolgt hij. “Maar je moeder zei: Nee Radna, als een hond zou kunnen praten dan zou hij alleen maar woordjes zeggen: Bal. Koekje. Spoor. Buiten. Aai. Alpha. Je vond dat jammer. Weet je nog?”
Opnieuw een lik. Voor het eerst in haar leven denkt Radna aan de scherpe tanden achter de zachte lippen. “Je probeert je moeder te geloven, maar het lukt je niet…” Nog een haal en warme adem. “Je ziet ons nog steeds als een soort mensen. Het soort dat niet slijmt en roddelt maar oprecht lieve dingen zegt.”
ER klinkt een grommende lach vanuit zijn keel. Niks luidspreker. Zijn stem is diep en organisch.
Moeizaam beweegt ze haar lippen. “Rhy, no,” stamelt ze.
“Hmm?” Hij houdt zijn kop schuin. Ze slikt en probeert nog eens te spreken terwijl overal geklop, geroep en gefluister klinkt.
“Het is moeilijk praten tijdens slaapverlamming,” zegt hij. “Het geeft niet. Ik zal voor ons beiden spreken. DE waarheid.”
Hij drukt zijn natte neus tegen de hare. “Ben je klaar? Oké. Hier komt de waarheid:
Jij denkt dat de hond de tranen van je gezicht likt. Dat is niet zo. Hij vindt het zout lekker.
Jij denkt dat de hond je aankijkt vol aanbidding. Fout! Hij berekent zijn kansen.
Jij denkt dat hij het leuk vindt met je te rennen en te spelen, je te leiden en te bewaken. Welnee. De hond denkt bij elke stap: Wat zit erin voor mij?
Jij noemt je vader pa, je moeder ma en jezelf Radna. Maar ik noem jullie Grote Voerhand, Kleine Voerhand, en Voer.”
Ze gilt zonder geluid wanneer ze dikke druppels langs haar wang voelt glijden. ZE wou dat hij zweeg. Dat alle dieren zwegen, dat ze inderdaad onderontwikkeld waren zoals mama zei…
“Nou goed dan, nog één waarheidje,” fluistert hij. “Jullie leuke chip heeft mijn hersenen beschadigd.”

Futloos sloft Radna door de kamer. De droom was zo echt dat ze zich afvraagt of ze dit ook droomt. Ze kamt haar haren, kauwt een mintje. Steeds als ze zich uitrekt knettert het in haar hoofd. Ze hoort aan de stilte beneden dat haar moeder zelf met Rhyno is gaan lopen.
“Oh heerlijke stilte. Waarom klink je ineens zo onheilspellend?”
Een sleutel in de voordeur, een snel getrippel en gehijg. “Bal. Bal. Bal.”
Radna houdt de adem in. Gelach van haar vader en vrolijk gegrom. Ja, zet jij je masker maar weer op. Als ik die halsband ooit te pakken krijg…
Ze huivert. Wat ze zal doen als ze hem ooit nog durft aan te raken, ziet ze dan wel weer.

Verhaal – Naar het radmuseum

Naar het Radmuseum
Uit: De schoolkrant, jaargang 30, november 2142

Hallo, ik ben Paul Kerwijk en ik ben 11 jaar. Vorige week zijn we met groep 5, 6, 7 en 8 naar het radmuseum geweest. Dat is een elektriciteitscentrale waar ze stroom opwekken. We mochten in verschillende raderen lopen en we zagen een film over de geschiedenis van het rad.

Vroeger gebruikten de mensen geen raderen. Je had kerncentrales die heel gevaarlijk waren. Het afval was heel giftig en er gebeurde soms een ramp. Hierna gingen de mensen windmolens, waterraderen en zonnepanelen gebruiken. In sommige landen zijn die er nog. In Nederland is het looprad voor het eerst ingevoerd. Dat was in 2035. Eerst nog alleen bij rijke mensen en sporters. Het rad werd aangesloten op een accu of op het lichtnet. De rijke mensen lieten de beste sporters voor zich lopen en gaven daar geld voor. Sommige sporters hadden zelf een rad. Zij leefden heel luxe en werden heel rijk.
Later bouwden ze de dorpscentrales waar één mens tegelijk in kon. Iedereen kwam één keer per dag aan de beurt; van je 4e tot je 75e. Kinderen en ouderen mochten een half uur, alle andere mensen een uur. Zieken en gehandicapten hoefden niet te lopen. Wij mochten ook een paar oude raderen proberen. Ik heb in eentje gelopen uit 2035, dat was gaaf! Hij liep heel zwaar alsof er iets vast zat.
Nog wat later kwamen de stadscentrales, daar kunnen vijftig tot vijfhonderd mensen tegelijk in lopen. Je koopt een abonnement waarin staat hoeveel stroom je krijgt en hoeveel je moet lopen. Net als nu werd je vroeger elke maand getest hoe hard je liep. Ik loop nu gemiddeld 23 km/u.

Aan het eind van de dag zijn we in het pannenkoekenhuis gaan eten dat naast het museum staat. Ik koos de Oranjerad, met pompoenpasta en peentjes. Ik vond hem niet zo lekker, maar ik kreeg wel het vlaggetje!